Werkwijze

In iedere Nederlandse overheidsorganisatie zijn elementen van leerproces en handhaving aanwezig. Een integriteitsprogramma dient daarom altijd te beginnen met het zorgvuldig in kaart brengen van dat wat er al is. Vervolgens kan gericht worden gewerkt aan het introduceren van ontbrekende elementen, steeds met het ‘grote plaatje’ op het netvlies.

Op al het werk dat G&I doet binnen organisaties zijn drie kernbegrippen van toepassing:

  • Maatwerk
    Iedere opdrachtgever, iedere organisatie en ook ieder integriteitprogramma is op onderdelen uniek. Elke organisatie verdient adviezen en trainingen die zijn toegesneden op de eigen, specifieke noden en behoeften.
  • Praktijkgericht leren
    In onze trainingen wordt gewerkt en geleerd aan de hand van vraagstukken uit de eigen praktijk, door deelnemers zelf aangedragen. De leeropbrengst en relevantie daarvan zijn veel groter dan die van fictieve cases.
  • Duurzame verankering
    Onze activiteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de organisatie, het verbeteren van infrastructuur en het equiperen van leidinggevenden. Het doel is te zorgen voor een duurzame borging die niet afhankelijk is van onze aanwezigheid of die van bepaalde sleutelfiguren binnen de organisatie.

Ambtelijke integriteit: werken langs vijf sporen

Werken aan een integere overheidsorganisatie komt neer op het installeren van twee zaken: enerzijds een moreel leerproces, anderzijds een zorgvuldige handhavingspraktijk. Dit zijn de pijlers die de integriteit van de organisatie borgen.

Mettertijd zorgen het morele leerproces en de zorgvuldige handhavingspraktijk er samen voor dat:

  • de organisatie recht doet aan allen met en voor wie zij werkt (het kan dan gaan om individuen, maar ook om andere organisaties);
  • het aantal integriteitschendingen slinkt, terwijl de meldingsbereidheid groeit;
  • het vertrouwen in de organisatie groter wordt (dat wil zeggen: het vertrouwen van medewerkers, relaties en burgers).

In schema ziet het G&I-programma Ambtelijke Integriteit ziet er zo uit. Er worden vier basissporen onderscheiden: twee daarvan betreffen het morele leerproces, twee de handhavingspraktijk. Een vijfde spoor betreft het inrichten en toerusten van de organen die het proces van werken aan de ambtelijke integriteit mogelijk helpen maken. Sommige stappen kan een organisatie zelfstandig nemen, bij andere is ondersteuning van buiten gewenst.

Hieronder worden de sporen nader toegelicht.

Spoor 1 en 2: het morele leerproces

Het installeren van een moreel leerproces ondersteunt medewerkers in hun dagelijks werk en leidinggevenden bij het integer leidinggeven. Er wordt een proces op gang gebracht van gezamenlijk leren over lastige kwesties uit de eigen professionele praktijk, waarbij men gebruik maakt van elkaars ervaringen, inzichten en denkkracht. Het versterken van de individuele morele oordeelskracht bevordert de morele kwaliteit en de eenduidigheid van de dagelijkse beslissingen die binnen de organisatie worden genomen.

Een tweede spoor waarlangs het morele leerproces in de organisatie zich voltrekt betreft de morele kennis die wordt opgebouwd. Het houden van moreel beraad over kwesties uit de eigen werkpraktijk zal gaandeweg resulteren in overdraagbare kennis (‘moresprudentie’) die desgewenst kan worden neergelegd in een moreel manifest. Deze kennis kan tevens het uitgangspunt vormen voor (nieuwe) interne regels.

Spoor 3 en 4: de zorgvuldige handhavingspraktijk

Het inrichten van een zorgvuldige handhavingspraktijk heeft een krachtige preventieve dimensie. Het gaat erom medewerkers zo goed mogelijk te beschermen tegen:

  • verleidingen (door deze weg te nemen en/of maatregelen te treffen die de wilskracht van medewerkers ondersteunen en de ‘pakkans’ vergroten);
  • schendingen door collega’s of door derden;
  • onterechte of lastig te onderzoeken beschuldigingen van schendingen.

Bij de repressieve dimensie van de handhavingspraktijk draait het om:

  • het goed toerusten van leidinggevenden voor hun handhavingstaak;
  • het inrichten, evalueren en waarborgen van de juiste procedures en praktijken voor het melden, onderzoeken en sanctioneren van integriteitschendingen.

Spoor 5: integriteitorganen

Een vijfde en laatste spoor waarlangs gewerkt wordt heeft betrekking op de personen en structuren die het integriteitsbeleid helpen dragen en uitdragen. Denk aan interne opleiders, onderzoekers, vertrouwenspersonen, de integriteitscoördinator en de (ambtelijk c.q. politiek) eindverantwoordelijken. In de wet en de basisnormen integriteit zijn minimumvereisten vastgelegd, maar organisaties die bij best practices willen aansluiten (of zelf voorop lopen) kunnen extra stappen zetten.

Contactpersoon

Esther Sinnema
tel: 088 - 7000 441
e-mail: e.sinnema@gi-nederland.com

Integriteitskwestie

Bij sprake van een dringende integriteitskwestie ondersteunen we u graag met direct advies. Download onze factsheet noodhulp en neem contact op met het secretariaat.